Het aanleggen van natuurlijke speelplekken gebeurd steeds vaker. Waar moet je op letten en wáárom is het zo belangrijk om gevarieerde speeluitdagingen aan te bieden. In het nieuwe handboek boek speelnatuur in tuin & stad kom je alles te weten over de aanleg en het belang van groene buitenruimtes.
Wetenschappelijk onderbouwd
Plantsuggesties (inheems)
Eetbare natuur
Klimaatadaptief
0-4 jaar, 4-12 jaar en 12+ jaar
Favoriete speelherinneringen
Experts aan het woord
Tips&weetjes
Ontwerpideeën
In september en oktober geeft Denise online inspiratiesessies en een 4 training van avonden over de wetenschap en aanleg van toekomstbestendige kindvriendelijke (achter)tuinen.
—————————————————————————————————-
Waarom speelnatuur? Nadat ik zelf een kind had gekregen besloot ik eens te googelen hoe een ‘kindvriendelijke’ achtertuin er nu eigenlijk uitziet. Een aantal vrienden was mij al voorgegaan en had hun tuin door de hovenier opnieuwlaten aanleggen. Hun tuinen zagen er strak en modern uit, maar waren ze eigenlijk wel écht kindvriendelijk? Enkele hints die ik kreeg bij het zoeken naar inspiratie:
‘Voor een kindvriendelijke tuin begin je bij de basis. Denk bijvoorbeeld aan keramische tegels voor je terras. Deze zijn namelijk makkelijk schoon te houden.’
‘Plaats een speeltoestel in je tuin.’
Vanuit mijn achtergrond als bioloog en door de wetenschappelijke artikelen die ik eerder las over het belang van groen in de omgeving leken me deze opties niet écht goed voor de ontwikkeling van kinderen. Maar wat dan wel, en waarom?
Inhoud van het boek De verschillende elementen van de natuurlijke buitenruimte, van bodem tot bomen, worden behandeld, met om te beginnen een op informatie gebaseerde onderbouwing wáárom je het zo zou doen – gevolgd door concrete actie hóé we samen functionele groene buitenruimtes kunnen creëren. Door het boek heen vind je steeds verhalen van mensen, herinneringen uit hun jeugd of juist de favoriete speelplekken van de kinderen nu. Waarom zijn dit de blijvende speelherinneringen? En wat vertelt de wetenschap over deze favoriete speelplekken in de buitenruimte? Daarnaast zijn er verschillende ontwerpideeën en plantsuggesties ter inspiratie. Van balkon tot grote openbare buitenspeelplek, voor elke vierkante meter is er inspiratie voor de inrichting. Verschillende experts zullen aan het woord komen om de theorie en praktijk met elkaar te verbinden.
Sustainable Development Goals Een van de Sustainable Development Goals van de Verenigde Naties is dat we tegen 2030 ‘universele toegang tot veilige, inclusieve en toegankelijke groene en openbare ruimtes, met name voor vrouwen en kinderen, ouderen en personen met een beperking hebben’ (doel 11.7).1 Dit boek biedt handvatten om samen naar een groenere omgeving te bewegen!
Meer weten? Op woensdagavond 23 september en dinsdagavond 20 oktober van19.30 – 21.00 uur is een basisinspiratie Speelnatuur. En op 14 & 21 september, 5 & 12 oktober is een vierdaagse avondcursus met diepgang op verschillende thema’s van beplanting tot aandachtspunten voor verschillende leeftijdscategoriën en hoe je de buitenruimte mee kan laten groeien.
https://www.springzaad.nl/wp-content/uploads/2026/07/image002.jpg733518secretariaathttps://www.springzaad.nl/wp-content/uploads/2019/11/1b-wit-zonder-tekst-216x300.pngsecretariaat2026-07-23 14:58:552026-07-23 14:59:11#99 Nieuw boek: Speelnatuur in stad & tuin
Buiten aan de slag met wiskunde, wereldoriëntatie, taal en muzische vorming. Uitgeverij SWP, Amsterdam
Inleiding
Dit is een inspiratie- en praktijkwerkboek voor diegenen die, binnen het onderwijs – maar evengoed daarbuiten, (jonge) kinderen in hun ‘buitenleren’[i] begeleiden. Het biedt inspiratie vanuit pedagogische overwegingen hoe spelen en leren samenhangen. Wie weet is de auteur zelf wel door bijgaand gedicht van de 18e-eeuwse, Nederlandse dichter Hieronymus van Alphen geïnspireerd geraakt:
HET VROLIJK LEREN
Mijn spelen is leren, mijn leren is spelen, En waarom zou mij dan het leren vervelen? Het lezen en schrijven verschaft mij vermaak. Mijn hoepel, mijn priktol verruil ik voor boeken; Ik wil in mijn prenten mijn tijdverdrijf zoeken, ’t Is wijsheid, ’t zijn deugden, naar welke ik haak.
In het voorwoord haalt hij (onderzoeker en lerarenopleider aan de Vlaamse hogeschool Odisee) een andere auteur aan, Rutger Bregman. Die denkt er hetzelfde over: “Wij zijn geboren om te leren, te verbinden en te spelen”. Waarmee hij er nog een element aan toevoegt: samen spelend leren, dat is wat de mens wil. En de mens heeft dat ook nodig.
Voor diegenen die namelijk denken dat spelen(d leren) vrijblijvend is, heeft de auteur ook een duidelijke boodschap: het is de noodzakelijke opstap naar volwassenheid. Hij stelt: ‘Onze langdurige jeugd en de gloeilamp in ons hoofd vormen echter een unieke combinatie. Eentje die ons tijd geeft en in de intellectuele flexibiliteit voorziet om volledig te groeien en ons aangeboren potentieel te ontwikkelen’.
De inhoud
Het boek heeft twee delen. In het eerste deel gaat het geheel over theorieën en onderzoek die allang hebben uitgewezen dat buiten leren, naast het werken binnen de muren van de school, grote voordelen biedt. In de samenvatting van het boek zet de auteur die op een rij: activerend, ervaringsgericht, vrijheidsgevoel, stimuleert initiatief, stimuleert beweging, contact met de natuurt/buitenwereld, concreet en (daardoor) betekenisvol voor de lerende, stimuleert nieuwsgierigheid, creativiteit en fantasie, geïntegreerde leerervaring.
Zo zijn er nog wel meer positieve gevolgen zoals ‘helend’, rustgevend en dergelijke. De literatuur hierover (het boek heeft achterin een lange literatuurlijst, veelal niet Vlaams of Nederlands – hoewel dat taalgebied ook de nodige boeken en artikelen kent) is langzamerhand zeer uitgebreid en overtuigend, getuige ook de bekende uitspraak: “Groen doet goed”.
De auteur eindigt met een wens en oproep: “De tijd is rijp voor een groene revolutie. Eentje vormgegeven van onderuit, vanuit het kind, dat hoopvol naar boven kijkt en ons de weg wijst. Zodat we eindelijk eens naar boven wijzen in plaats van steeds te onderwijzen“ [vet van mij – CMG].
In dit (eerste) deel van het boek komt spel ook als mentale groeimethode voor. Er staat onder meer: ‘Spel is geen tijdverdrijf maar de essentie van onze jeugd. Het is de evolutionaire truc die ons uitnodigt om door spel de complexiteit van het leven te verkennen op een veilige manier’. We kunnen dus niet zonder, zegt hij eigenlijk.
Verderop worden de meeste van bovenstaande aspecten uitgewerkt in de tekst, in diverse hoofdstukken. Dat zijn: Vrij spel, Bewegend leren, Natuurlijke leeromgevingen, Omgevingsonderwijs en Pretpedagogie. Daarbij geeft de auteur een waarschuwing mee aan de lezer: “We mogen spel niet zien als een verplicht nummer, een zoveelste extra bal om in de hoogte te houden, maar eerder als een frisse benadering van het onderwijs’. Waarmee hij in feite wil zeggen dat spelen (ook) een leermethode is – en voor de leraar een onderwijsmethode, als alternatief voor andere methoden.
Pretpedagogie
Speciale aandacht geeft de auteur aan de pedagogische motivatie waarom spel juist bijdraagt aan het leerproces en niet ‘….. teveel bezig zijn met plezier en welbevinden en de essentie van lesgeven vergeten’. En dat we daardoor zouden ‘wegzakken op de internationale ranglijsten op het gebied van wiskunde, rekenen en lezen’ (blz. 61). Tegen deze visie (die een oorzakelijk verband suggereert) zet hij zich met alle kracht af. En niet alleen tegen het, formele, leerproces op school: ook thuis. Ook daar vindt volgens hem een kunstmatige scheiding plaats tussen bijvoorbeeld werk (huiswerk) de ene kant en vrije tijd (huiswerk af, dan pas spelen) aan de andere. Voor hem horen die zaken onlosmakelijk bij elkaar – spelen is geen bijzaak, geen bonus voor noeste arbeid.
‘Maar niet alles hoeft leuk te zijn. Er mag gezwoegd en gewerkt worden’, zo geeft hij ons echter mee. Als dat maar gebeurt in een ‘speels klimaat’. Om zo een pedagogiek te ontwikkelen waarin scheiding plaats maakt voor samenhang. Daarnaast – eigenlijk in vervolg daarop – geeft hij nog een waarschuwing mee: sta leerlingen, zodra ze de school binnenkomen, ook een zekere vrijheid toe (om bijvoorbeeld kind te zijn). Geef ze de ruimte een ‘zelf’ te zijn – om Gert Biesta aan te halen (zie eindnoot ii). Daarin heeft hij dezelfde opvatting als diverse andere auteurs van de laatste jaren[ii]. Waarop hij stevig uithaalt naar de neiging van ‘het systeem’ ‘om door te slaan richting controle’.
Als laatste in dit deel van het boek komt dan ook de verzuchting: ‘Onze cultuur is gemarineerd in toetsen, straffen en belonen. Maar laten we een paradigmaverschuiving nastreven waarbij de focus ligt op een pedagogie van vertrouwen. Laten we ons de vraag stellen of ons klassieke onderwijssysteem nog de meest vruchtbare bodem biedt om vrijheid, veiligheid en vertrouwen tot bloei te laten komen’.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat de auteur veel aandacht besteedt aan de kwaliteit van natuurlijke leeromgevingen en aan omgevingsonderwijs. En koppelt daaraan een ‘fundamenteel didactisch principe’: ‘Omgevingsonderwijs nodigt uit tot actief leren. Het is niet verpakt in hapklare brokken. Leerlingen moeten zelf waarnemen, vragen stellen, vergelijken, interpreteren, analyseren en deduceren. De leerstof biedt zich echt aan, driedimensionaal, en kan met alle zintuigen waargenomen worden’.
Dit doet sterk denken aan de visie van Jos Elstgeest, een (Nederlandse) leraar uit het Jenaplanonderwijs, in de laatste decennia van de vorige eeuw. Hij legde een belangrijke pedagogische basis voor natuuronderwijs aan jonge kinderen door hun ontmoeting, interactie en dialoog met de natuur te stimuleren. In het Jenaplantijdschrift ‘MENSEN kinderen’ 9(1993)2[iii] schreef hij een, toen, beroemd geworden artikel over de mierenleeuw, waaruit het volgende citaat:
‘Toen de kinderen dit insect observeerden en zagen wat het deed, kwamen ze met een heleboel vragen: Wat is dat? Wat doet het in die kuiltjes? Hoe komt het daar? Hoe beweegt het zich? Wat eet het? Hoe vangt het zijn voedsel? Hoe maakt het zijn kleine kuiltje? De kinderen stelden nog veel meer vragen en op al die vragen kan de mierenleeuw het beste zelf een antwoord geven. Dus moeten we de kinderen steeds maar weer zeggen: “Vraag het de mierenleeuw zelf maar. Hij zal jullie steeds een antwoord geven”.’
Dit is wat de SLO[iv], op grond van die aanpak, in haar toenmalige project ‘Natuuronderwijs in de basisschool’ (NOB)[v], ook heeft uitgewerkt. Daarin werd een systematische didactiek voor natuuronderwijs ontwikkeld. Dat idee is, veralgemeniseerd, een belangrijk pedagogisch uitgangspunt geworden voor het ontdekken, waarnemen en onderzoeken van ‘dingen’ in de natuur: ‘Vraag het de natuur zelf maar’. In plaats van wat de leraar ervan vindt.
Zo’n nieuwe praktijk bestaat her en der, niet alleen in Vlaanderen of Nederland. Zo kwam ik onlangs, als een ‘extreem’ voorbeeld, een Italiaanse werkwijze tegen die waarschijnlijk volkomen uniek is. Het gaat om een klas (zo te zien aan de illustraties uit de onderbouw voortgezet onderwijs; dit boek lijkt vooral te zijn geschreven voor het basisonderwijs), onder leiding van leraren en lokale deskundigen, die gedurende een schooljaar door vrijwel heel Italië wandelt, van noord naar zuid. Ondertussen leren de leerlingen in die periode, vanuit de omgevingspraktijk, over veel vakken die ze anders uit schoolboeken zouden moeten leren. Zie https://www.unitedworldproject.org/economy-work/strade-maestre-when-school-is-developed-as-a-journey-interview-with-niccolo-gori-sassoli/.
Na deze pedagogische inleiding sluit dit deel af met organisatorische kwesties: bedenken hoe je dit type buitenonderwijs organiseert, met wie je te maken krijgt, welke spullen mee moeten, hoe je ouders erbij betrekt en dergelijke.
Deel 2
In dit deel van het boek dat ongeveer 2/3 van het aantal bladzijden beslaat, komt de praktijk van deze pedagogisch-didactische werkwijze tot uiting. Dat gebeurt aan de hand van een aantal vakken: wiskunde, wereldoriëntatie, taal, muzische vorming en ‘combinatieoefeningen’. Per vak worden soms enkele tientallen voorbeelden uitgewerkt zodat de leraar voldoende houvast heeft om die toepassing – in vivo – uit te werken met zijn/haar klas (Vlaanderen) of groep (Nederland).
Ik kan moeilijk beoordelen of de vele – creatieve – voorbeelden de kern vormen voor ook het Nederlandse (basis)onderwijs. In ieder geval staat voor mij vast dat de auteur alle moeite heeft gedaan zich te verdiepen in de wijzen waarop de omgeving de ‘helpende hand’ kan bieden om vraagstukken die leerlingen dienen op te lossen, daar concreet zichtbaar te maken.
Het is, qua ruimte, natuurlijk ondoenlijk om zelfs maar alle bovengenoemde vakken/leergebieden te bespreken in deze recensie. Daarom een tweetal opdrachten eruit gehaald (uit de thema’s ‘Wereldoriëntatie’ en ‘Taal’) die kunnen verduidelijken hoe dit buitenwerk eruit kan zien.
Gebruik
De auteur geeft op diverse plekken in het boek aan dat deze vormen van pedagogiek en didactiek zowel op Vlaamse als op Nederlandse basisscholen bruikbaar zijn. Wat het gebruik op Nederlandse scholen betreft, sluiten ze mooi aan bij de methoden van zelfontdekking die worden beschreven in o.a. een – eveneens gerecenseerd – boek als ‘Praktische didactiek voor Natuur & Techniek’ van Jos Marell en Els de Vaan (2020)[vi].
Maar, aangezien deze manier van werken waarschijnlijk niet zo gebruikelijk is, in Nederland noch in Vlaanderen, doet de vraag zich voor of dit een regulier onderdeel van de lerarenopleidingen kan zijn/worden. Een aantal suggesties daarvoor had niet misstaan in een uitleiding van het boek.
[i]Het is jammer dat in dit boek een Engelse titel is gebruikt. Er lijkt geen reden om niet een term als buitenleren, buitenonderwijs, misschien veldwerk of veldstudie te gebruiken.
[ii]Denk aan bijvoorbeeld ‘Wereldgericht onderwijs’ van Gert Biesta (2022), ‘De school van je leven’ van Ludo Heylen (2023), ‘Leren in een Levend Systeem’ van Guus Geisen (2024), ‘Service-learning’ van Kaat Somers et al., red. (2025; dit boek gaat wel over hbo-opleidingen), ’32 lessen voor de toekomst’ van André de Hamer en Peter Heres (z.j., red.) en ‘Onderwijzen tijdens Transities’ van Bas van den Berg (2023).
https://www.springzaad.nl/wp-content/uploads/2026/07/OIP.9XlIJyviXr3rkFfPK7neYAHaKZ.jpeg665474secretariaathttps://www.springzaad.nl/wp-content/uploads/2019/11/1b-wit-zonder-tekst-216x300.pngsecretariaat2026-07-23 14:55:462026-07-23 14:55:49#99 Boekrecensie: Outdoor education van Filip Mennes
Tussen de huizen en wegen op zoek gaan naar natuur? Het boek ‘Leuke Groene Dingen Doen’ van uitgeverij Jan van Arkel neemt je mee naar buiten en geeft je in vier thema’s inspiratie mee om buitenervaringen op te doen in een stedelijke omgeving. Want natuur is, zo blijkt, overal.
Het boek begint met een korte inleiding over de klimaatveranderingen en wat je zelf daarin kunt doen, waarom het zo belangrijk is om naar buiten te gaan, ook al is een natuurlijke omgeving niet direct te vinden en hoe dat veilig kan in de stad. Het wordt begeleidmet inspirerende foto’s die gelijk al laten zien dat de stad ook genoeg te bieden heeft aan natuur. Het vraagt om aandacht voor details te hebben en hoe je door anders te kijken overal natuur kunt zien.
Kinderen worden uitgenodigd om een natuurtas bij zich te hebben waar de eerste benodigdheden in zitten voor een geslaagde tocht en een natuurdagboek bij te houden waar ze hun bevindingen in kunnen schrijven. Niet alle activiteiten in het hoofdstuk ‘In park en tuin’ hebben per se direct met natuur te maken, het laat ook zien hoe je fijn buiten kunt spelen waarbij je de natuur betrekt bij het spel. Van het inrichten van plekjes tot spelletjes en diertjes verzorgen.
Het hoofdstuk ‘Op pad in de stad’ laat je kennis maken met dieren, bomen en planten die in de stad voorkomen. Duidelijke beschrijvingen en foto’s geven veel ideeën mee zoals een sporenoverzicht waarmee je op ontdekkingstocht kunt gaan, een kaart met weerstypen en tips voor nachtelijke avonturen. De afvinklijst kan gebruikt worden om voor jezelf te bekijken wat je nog wilt beleven in jouw stadsavontuur.
Na het hoofdstuk ’Knutselwerken’, dat bomvol leuke en toegankelijke groene creatieve voorbeelden staat, gaat het laatste deel van het boek over ’Recepten’. Een ultieme ervaring kan het voor kinderen zijn als blijkt dat natuur ook eetbaar is bijvoorbeeld in een smoothie, in jam en in boter of dat je planten kunt gebruiken om er zalf van te bereiden en dat dat dus zomaar voor je voeten groeit.
‘Leuke Groene Dingen Doen’ is een mooi verzorgd boek met veel inspirerende foto’s in kleur, kleine tips in de kantlijn maken dat je even geattendeerd wordt op details. Tussendoor staan ervaringsverhalen over wat natuur met je doet als kind, wat het boek ook heel persoonlijk maakt. Mooi is dat er ook aandacht is voor stilte, iets wezenlijks in de natuur. Al met al een rijk boek waarmee je in contact wordt gebracht met de natuur in je directe omgeving, of dat nu onder je voeten of boven je hoofd is.
Kijk HIER naar een aantal voorbeeldpagina’s van het boek.
https://www.springzaad.nl/wp-content/uploads/2021/04/LeukeGroeneDingenDoenLR.jpg709567secretariaathttps://www.springzaad.nl/wp-content/uploads/2019/11/1b-wit-zonder-tekst-216x300.pngsecretariaat2021-04-20 12:53:112021-04-21 14:35:53#81 Recensie boek: ‘Leuke Groene Dingen Doen’ van uitgeverij Jan van Arkel
Een compact handboek voor iedereen die bezig is met uitdagend speelplezier
Dit boek is een uitstekende en inspirerende inleiding voor mensen die interesse hebben in het thema veiligheid van speelomgevingen. Ook voor de wat meer ervaren inspecteur heeft het waarde als naslagwerk en als leidraad voor een volledige inspectie. En tenslotte zou ik het boek door zijn compactheid en toegankelijkheid zelfs aan uitbaters van speelterreinen aanbevelen die zich willen verdiepen in de materie of streven naar een gelijkwaardiger relatie met de inspecterende instanties – het is helaas toch nog vaak te zien dat de inspecteurs een klant ‘de norm’ of ‘de wet’ om de oren slaan en de klant vervolgens alles klakkeloos overneemt.
Stap voor stap wordt de ‘droge’ materie omtrent de normenreeks EN 1176 uitgelegd en toegelicht.
Want een speelomgeving kan best complex zijn gezien de beoordeling op risico’s. Door langzaam van begripsdefinitie naar toegankelijkheid naar gevaren naar specifieke toestellen steeds dieper in de materie te duiken worden de veiligheidsvereisten in de norm begrijpelijk en kan de lezer uiteindelijk een onderbouwd oordeel geven over het veiligheidsniveau van een bepaalde speelomgeving.
Geschreven is dit boek om het verouderde ‘handboek veiligheid van speelterreinen’ (3de editie) te vervangen. De nieuwe gids is minder omvangrijk, maar daardoor misschien wel attractiever om regelmatig te gebruiken als gereedschap. Het compacter maken heeft grote voordelen – maar brengt ook mee dat bepaalde onderdelen minder aandacht krijgen zoals de (methodiek van de) risicoanalyse.
De missie van de auteur is om de competentie van de inspecteurs te verhogen. Hiervoor is niet alleen de kennis nodig die hij in het boekje deelt, maar ook expertise die een inspecteur alleen in de praktijk kan opdoen. Verwacht dus niet dat je na het lezen een competente inspecteur bent. Maar je bent wel geïnspireerd om zelf expertise op te doen! De kennis die het boek deelt door commentaar en toelichting op de feiten uit de normenreeks EN 1176 zorgt ervoor dat je geen knecht van de getallen wordt die in de norm staan, maar dat de norm een uitstekend tool wordt waarmee jij je doel kan bereiken: zorgen voor een speelomgeving die kinderen uitdaagt en helpt om zich te ontwikkelen zonder dat ze hierbij zijn blootgesteld aan risico’s die niet aanvaardbaar zijn.
De (ongeduldige) lezer die nog niet bekend is met de materie zal misschien geneigd zijn om het intro van 20 pagina’s over te slaan, maar als je meer begrijpt van de materie dan snap je steeds beter waarom het belangrijk is om de achtergrond van normen en van de hele veiligheidsdiscussie te kennen voordat je een norm (als gereedschap) gebruikt.
Wie de auteur al live gehoord heeft weet dat zijn afkeer tegen het blind opvolgen van regels regelmatig naar voren komt. In de (intro) tekst is hij hiermee iets terughoudender dan in een lezing, maar gelukkig zorgt deze zelfbewuste attitude nog steeds voor een verfrissende sfeer die de lezer ook uitdaagt om zelf stelling in te nemen. De realiteit is immers niet zwart – wit. En ook de norm wil dus niet blind gevolgd worden maar genuanceerd begrepen en gebruikt als gereedschap.
De illustraties zijn leuk en duidelijk. Het layout is voor mijn smaak een beetje wild, maar door het consequente gebruik van drie kleuren is het geheel wel overzichtelijk en vindt men uiteindelijk goed de weg naar de gezochte informatie.
De uitvoering als ringband is niet allee handig om het in het veld te gebruiken. Dit boek straalt daarmee ook de sfeer van gereedschap en werk uit.
Uitgegeven is het boek door Speelom, onderdeel van het Belgische Kennis- en Expertisecentrum ‘Kind & Samenleving’. Wat de nationale wetgeving betreft vertrekt de gids van het Belgische model. De essentie van het boek gaat echter om de Europese normenreeks EN 1176 die in Nederland hetzelfde doel moet ondersteunen dan bij onze zuiderburen: speelomgevingen te realiseren waarin kinderen al spelend fysieke, sociaal-emotionele, zintuiglijke, cognitieve en communicatieve vaardigheden kunnen ontwikkelen zonder onaanvaardbare risico’s te lopen.
Een addendum dat ingaat op aspecten van de Nederlandse wetgeving is in de maak.
Anneke Rodenburg beschrijft hierin de belangrijkste aandachtspunten voor een goed ontwerp van een natuurlijke speelplek.
Groen
in speelplekken is belangrijk voor de gezondheid en ontwikkeling van
kinderen. Het is voor ontwerpers een uitdaging om een speelplek
origineel, verrassend en uitdagend te ontwerpen, en daarnaast te zorgen
voor een aantrekkelijke omgeving met enig overzicht, structuur en
veiligheid. Als dat lukt, dan is dat direct merkbaar aan de hoeveelheid
kinderen en (groot)ouders die, weer of geen weer, op de speelplek te
vinden zijn!
https://www.springzaad.nl/wp-content/uploads/2019/03/album_467.jpg480640Webmasterhttps://www.springzaad.nl/wp-content/uploads/2019/11/1b-wit-zonder-tekst-216x300.pngWebmaster2019-10-10 14:19:232019-11-24 22:35:54Het ontwerpen van een speelplek