Door Denise Enthoven

Speelnatuur

Inheems, klimaatadaptief en belangrijk voor een gezonde ontwikkeling van kinderen.

Het aanleggen van natuurlijke speelplekken gebeurd steeds vaker. Waar moet je op letten en wáárom is het zo belangrijk om gevarieerde speeluitdagingen aan te bieden. In het nieuwe handboek boek speelnatuur in tuin & stad kom je alles te weten over de aanleg en het belang van groene buitenruimtes.

  • Wetenschappelijk onderbouwd
  • Plantsuggesties (inheems)
  • Eetbare natuur
  • Klimaatadaptief
  • 0-4 jaar, 4-12 jaar en 12+ jaar
  • Favoriete speelherinneringen
  • Experts aan het woord
  • Tips&weetjes
  • Ontwerpideeën

In september en oktober geeft Denise online inspiratiesessies en een 4 training van avonden over de wetenschap en aanleg van toekomstbestendige kindvriendelijke (achter)tuinen.

—————————————————————————————————-

Waarom speelnatuur?
Nadat ik zelf een kind had gekregen besloot ik eens te googelen hoe een ‘kindvriendelijke’ achtertuin er nu eigenlijk uitziet. Een aantal vrienden was mij al voorgegaan en had hun tuin door de hovenier opnieuwlaten aanleggen. Hun tuinen zagen er strak en modern uit, maar waren ze eigenlijk wel écht kindvriendelijk? Enkele hints die ik kreeg bij het zoeken naar inspiratie:

‘Voor een kindvriendelijke tuin begin je bij de basis. Denk bijvoorbeeld aan keramische tegels voor je terras. Deze zijn namelijk makkelijk schoon te houden.’

‘Plaats een speeltoestel in je tuin.’

Vanuit mijn achtergrond als bioloog en door de wetenschappelijke artikelen die ik eerder las over het belang van groen in de omgeving leken me deze opties niet écht goed voor de ontwikkeling van kinderen. Maar wat dan wel, en waarom?

Inhoud van het boek
De verschillende elementen van de natuurlijke buitenruimte, van bodem tot bomen, worden behandeld, met om te beginnen een op informatie gebaseerde onderbouwing wáárom je het zo zou doen – gevolgd door concrete actie hóé we samen functionele groene buitenruimtes kunnen creëren. Door het boek heen vind je steeds verhalen van mensen, herinneringen uit hun jeugd of juist de favoriete speelplekken van de kinderen nu. Waarom zijn dit de blijvende speelherinneringen? En wat vertelt de wetenschap over deze favoriete speelplekken in de buitenruimte? Daarnaast zijn er verschillende ontwerpideeën en plantsuggesties ter inspiratie. Van balkon tot grote openbare buitenspeelplek, voor elke vierkante meter is er inspiratie voor de inrichting. Verschillende experts zullen aan het woord komen om de theorie en praktijk met elkaar te verbinden.

Sustainable Development Goals
Een van de Sustainable Development Goals van de Verenigde Naties is dat we tegen 2030 ‘universele toegang tot veilige, inclusieve en toegankelijke groene en openbare ruimtes, met name voor vrouwen en kinderen, ouderen en personen met een beperking hebben’ (doel 11.7).1 Dit boek biedt handvatten om samen naar een groenere omgeving te bewegen!

Meer weten?
Op woensdagavond 23 september en dinsdagavond 20 oktober  van19.30 – 21.00 uur is een basisinspiratie Speelnatuur. En op 14 & 21 september, 5 & 12 oktober is een vierdaagse avondcursus met diepgang op verschillende thema’s van beplanting tot aandachtspunten voor verschillende leeftijdscategoriën en hoe je de buitenruimte mee kan laten groeien.

Via de website www.enthovendenise.com kun je je hiervoor aanmelden. Ook voor een op maat gemaakte training neem je contact op via de website of mail denise.enthoven@hotmail.com

—————————————————————————————————-

Denise Enthoven

www.enthovendenise.com

denise.enthoven@hotmail.com

0617099064

 

Door: Chris Maas Geesteranus

Mennes, Filip, 2025. Outdoor education

Buiten aan de slag met wiskunde, wereldoriëntatie, taal en muzische vorming. Uitgeverij SWP, Amsterdam

Inleiding

Dit is een inspiratie- en praktijkwerkboek voor diegenen die, binnen het onderwijs – maar evengoed daarbuiten, (jonge) kinderen in hun ‘buitenleren’[i] begeleiden. Het biedt inspiratie vanuit pedagogische overwegingen hoe spelen en leren samenhangen. Wie weet is de auteur zelf wel door bijgaand gedicht van de 18e-eeuwse, Nederlandse dichter Hieronymus van Alphen geïnspireerd geraakt: 

HET VROLIJK LEREN

Mijn spelen is leren, mijn leren is spelen,
En waarom zou mij dan het leren vervelen?
Het lezen en schrijven verschaft mij vermaak.
Mijn hoepel, mijn priktol verruil ik voor boeken;
Ik wil in mijn prenten mijn tijdverdrijf zoeken,
’t Is wijsheid, ’t zijn deugden, naar welke ik haak.

In het voorwoord haalt hij (onderzoeker en lerarenopleider aan de Vlaamse hogeschool Odisee) een andere auteur aan, Rutger Bregman. Die denkt er hetzelfde over: “Wij zijn geboren om te leren, te verbinden en te spelen”. Waarmee hij er nog een element aan toevoegt: samen spelend leren, dat is wat de mens wil. En de mens heeft dat ook nodig. 

Voor diegenen die namelijk denken dat spelen(d leren) vrijblijvend is, heeft de auteur ook een duidelijke boodschap: het is de noodzakelijke opstap naar volwassenheid. Hij stelt: ‘Onze langdurige jeugd en de gloeilamp in ons hoofd vormen echter een unieke combinatie. Eentje die ons tijd geeft en in de intellectuele flexibiliteit voorziet om volledig te groeien en ons aangeboren potentieel te ontwikkelen’.

De inhoud

Het boek heeft twee delen. In het eerste deel gaat het geheel over theorieën en onderzoek die allang hebben uitgewezen dat buiten leren, naast het werken binnen de muren van de school, grote voordelen biedt. In de samenvatting van het boek zet de auteur die op een rij: activerend, ervaringsgericht, vrijheidsgevoel, stimuleert initiatief, stimuleert beweging, contact met de natuurt/buitenwereld, concreet en (daardoor) betekenisvol voor de lerende, stimuleert nieuwsgierigheid, creativiteit en fantasie, geïntegreerde leerervaring. 

Zo zijn er nog wel meer positieve gevolgen zoals ‘helend’, rustgevend en dergelijke. De literatuur hierover (het boek heeft achterin een lange literatuurlijst, veelal niet Vlaams of Nederlands – hoewel dat taalgebied ook de nodige boeken en artikelen kent) is langzamerhand zeer uitgebreid en overtuigend, getuige ook de bekende uitspraak: “Groen doet goed”. 

De auteur eindigt met een wens en oproep: “De tijd is rijp voor een groene revolutie. Eentje vormgegeven van onderuit, vanuit het kind, dat hoopvol naar boven kijkt en ons de weg wijst. Zodat we eindelijk eens naar boven wijzen in plaats van steeds te onderwijzen“ [vet van mij – CMG].

In dit (eerste) deel van het boek komt spel ook als mentale groeimethode voor. Er staat onder meer: ‘Spel is geen tijdverdrijf maar de essentie van onze jeugd. Het is de evolutionaire truc die ons uitnodigt om door spel de complexiteit van het leven te verkennen op een veilige manier’. We kunnen dus niet zonder, zegt hij eigenlijk. 

Verderop worden de meeste van bovenstaande aspecten uitgewerkt in de tekst, in diverse hoofdstukken. Dat zijn: Vrij spel, Bewegend leren, Natuurlijke leeromgevingen, Omgevingsonderwijs en Pretpedagogie. Daarbij geeft de auteur een waarschuwing mee aan de lezer: “We mogen spel niet zien als een verplicht nummer, een zoveelste extra bal om in de hoogte te houden, maar eerder als een frisse benadering van het onderwijs’. Waarmee hij in feite wil zeggen dat spelen (ook) een leermethode is – en voor de leraar een onderwijsmethode, als alternatief voor andere methoden.

Pretpedagogie

Speciale aandacht geeft de auteur aan de pedagogische motivatie waarom spel juist bijdraagt aan het leerproces en niet ‘….. teveel bezig zijn met plezier en welbevinden en de essentie van lesgeven vergeten’. En dat we daardoor zouden ‘wegzakken op de internationale ranglijsten op het gebied van wiskunde, rekenen en lezen’ (blz. 61). Tegen deze visie (die een oorzakelijk verband suggereert) zet hij zich met alle kracht af. En niet alleen tegen het, formele, leerproces op school: ook thuis. Ook daar vindt volgens hem een kunstmatige scheiding plaats tussen bijvoorbeeld werk (huiswerk) de ene kant en vrije tijd (huiswerk af, dan pas spelen) aan de andere. Voor hem horen die zaken onlosmakelijk bij elkaar – spelen is geen bijzaak, geen bonus voor noeste arbeid.

Maar niet alles hoeft leuk te zijn. Er mag gezwoegd en gewerkt worden’, zo geeft hij ons echter mee. Als dat maar gebeurt in een ‘speels klimaat’. Om zo een pedagogiek te ontwikkelen waarin scheiding plaats maakt voor samenhang. Daarnaast – eigenlijk in vervolg daarop – geeft hij nog een waarschuwing mee: sta leerlingen, zodra ze de school binnenkomen, ook een zekere vrijheid toe (om bijvoorbeeld kind te zijn). Geef ze de ruimte een ‘zelf’ te zijn – om Gert Biesta aan te halen (zie eindnoot ii). Daarin heeft hij dezelfde opvatting als diverse andere auteurs van de laatste jaren[ii]. Waarop hij stevig uithaalt naar de neiging van ‘het systeem’ ‘om door te slaan richting controle’. 

Als laatste in dit deel van het boek komt dan ook de verzuchting: ‘Onze cultuur is gemarineerd in toetsen, straffen en belonen. Maar laten we een paradigmaverschuiving nastreven waarbij de focus ligt op een pedagogie van vertrouwen. Laten we ons de vraag stellen of ons klassieke  onderwijssysteem nog  de meest vruchtbare bodem biedt om vrijheid, veiligheid en vertrouwen tot bloei te laten komen’. 

Het is dan ook niet verwonderlijk dat de auteur veel aandacht besteedt aan de kwaliteit van natuurlijke leeromgevingen en aan omgevingsonderwijs. En koppelt daaraan een ‘fundamenteel didactisch principe’: ‘Omgevingsonderwijs nodigt uit tot actief leren. Het is niet verpakt in hapklare brokken. Leerlingen moeten zelf waarnemen, vragen stellen, vergelijken, interpreteren, analyseren en deduceren. De leerstof biedt zich echt aan, driedimensionaal, en kan met alle zintuigen waargenomen worden’. 

Dit doet sterk denken aan de visie van Jos Elstgeest, een (Nederlandse) leraar uit het Jenaplanonderwijs, in de laatste decennia van de vorige eeuw. Hij legde een belangrijke pedagogische basis voor natuuronderwijs aan jonge kinderen door hun ontmoeting, interactie en dialoog met de natuur te stimuleren. In het Jenaplantijdschrift ‘MENSEN kinderen’ 9(1993)2[iii] schreef hij een, toen, beroemd geworden artikel over de mierenleeuw, waaruit het volgende citaat:

Toen de kinderen dit insect observeerden en zagen wat het deed, kwamen ze met een heleboel vragen: Wat is dat? Wat doet het in die kuiltjes? Hoe komt het daar? Hoe beweegt het zich? Wat eet het? Hoe vangt het zijn voedsel? Hoe maakt het zijn kleine kuiltje? De kinderen stelden nog veel meer vragen en op al die vragen kan de mierenleeuw het beste zelf een antwoord geven. Dus moeten we de kinderen steeds maar weer zeggen: “Vraag het de mierenleeuw zelf maar. Hij zal jullie steeds een antwoord geven”.’

Dit is wat de SLO[iv], op grond van die aanpak, in haar toenmalige project ‘Natuuronderwijs in de basisschool’ (NOB)[v], ook heeft uitgewerkt. Daarin werd een systematische didactiek voor natuuronderwijs ontwikkeld. Dat idee is, veralgemeniseerd, een belangrijk pedagogisch uitgangspunt geworden voor het ontdekken, waarnemen en onderzoeken van ‘dingen’ in de natuur: ‘Vraag het de natuur zelf maar’. In plaats van wat de leraar ervan vindt.

Zo’n nieuwe praktijk bestaat her en der, niet alleen in Vlaanderen of Nederland. Zo kwam ik onlangs, als een ‘extreem’ voorbeeld, een Italiaanse werkwijze tegen die waarschijnlijk volkomen uniek is. Het gaat om een klas (zo te zien aan de illustraties uit de onderbouw voortgezet onderwijs; dit boek lijkt vooral te zijn geschreven voor het basisonderwijs), onder leiding van leraren en lokale deskundigen, die gedurende een schooljaar door vrijwel heel Italië wandelt, van noord naar zuid. Ondertussen leren de leerlingen in die periode, vanuit de omgevingspraktijk, over veel vakken die ze anders uit schoolboeken zouden moeten leren. Zie https://www.unitedworldproject.org/economy-work/strade-maestre-when-school-is-developed-as-a-journey-interview-with-niccolo-gori-sassoli/

Na deze pedagogische inleiding sluit dit deel af met organisatorische kwesties: bedenken hoe je dit type buitenonderwijs organiseert, met wie je te maken krijgt, welke spullen mee moeten, hoe je ouders erbij betrekt en dergelijke.          

Deel 2

In dit deel van het boek dat ongeveer 2/3 van het aantal bladzijden beslaat, komt de praktijk van deze pedagogisch-didactische werkwijze tot uiting. Dat gebeurt aan de hand van een aantal vakken: wiskunde, wereldoriëntatie, taal, muzische vorming en ‘combinatieoefeningen’. Per vak worden soms enkele tientallen voorbeelden uitgewerkt zodat de leraar voldoende houvast heeft om die toepassing – in vivo – uit te werken met zijn/haar klas (Vlaanderen) of groep (Nederland). 

Ik kan moeilijk beoordelen of de vele – creatieve – voorbeelden de kern vormen voor ook het Nederlandse (basis)onderwijs. In ieder geval staat voor mij vast dat de auteur alle moeite heeft gedaan zich te verdiepen in de wijzen waarop de omgeving de ‘helpende hand’ kan bieden om vraagstukken die leerlingen dienen op te lossen, daar concreet zichtbaar te maken. 

Het is, qua ruimte, natuurlijk ondoenlijk om zelfs maar alle bovengenoemde vakken/leergebieden te bespreken in deze recensie. Daarom een tweetal opdrachten eruit gehaald (uit de thema’s ‘Wereldoriëntatie’ en ‘Taal’) die kunnen verduidelijken hoe dit buitenwerk eruit kan zien. 

Gebruik

De auteur geeft op diverse plekken in het boek aan dat deze vormen van pedagogiek en didactiek zowel op Vlaamse als op Nederlandse basisscholen bruikbaar zijn. Wat het gebruik op Nederlandse scholen betreft, sluiten ze mooi aan bij de methoden van zelfontdekking die worden beschreven in o.a. een – eveneens gerecenseerd – boek als ‘Praktische didactiek voor Natuur & Techniek’ van Jos Marell en Els de Vaan (2020)[vi]

Maar, aangezien deze manier van werken waarschijnlijk niet zo gebruikelijk is, in Nederland noch in Vlaanderen, doet de vraag zich voor of dit een regulier onderdeel van de lerarenopleidingen kan zijn/worden. Een aantal suggesties daarvoor had niet misstaan in een uitleiding van het boek. 


[i]Het is jammer dat in dit boek een Engelse titel is gebruikt. Er lijkt geen reden om niet een term als buitenleren, buitenonderwijs, misschien veldwerk of veldstudie te gebruiken. 

[ii]Denk aan bijvoorbeeld ‘Wereldgericht onderwijs’ van Gert Biesta (2022), ‘De school van je leven’ van Ludo Heylen (2023), ‘Leren in een Levend Systeem’ van Guus Geisen (2024), ‘Service-learning’ van Kaat Somers et al., red. (2025; dit boek gaat wel over hbo-opleidingen), ’32 lessen voor de toekomst’ van André de Hamer en Peter Heres (z.j., red.) en ‘Onderwijzen tijdens Transities’ van Bas van den Berg (2023).

[iii]Zie https://www.jenaplan.nl/userfiles/files/mensenkinderen/MK1993-11_jg09_nr2.pdf.  

[iv]Desgewenst voor Vlaamse lezers: SLO is het Nederlandse expertisecentrum voor het curriculum. 

[v]Belangrijke opbrengsten van dat project zijn nog steeds relevant en vindbaar op bijgaande website: https://bronnen-voor-nme.nl/bronnen-nme/uit-de-grabbelton-over-didactiek-didactische-aanwijzingen-voor-lessen-over-natuur-techniek-en-milieu

Zie ook: https://bronnen-voor-nme.nl/kennisbank/zoeken#sort=name&sortdir=asc&attr.fulltext.value=grabbelton&page=1

[vi]Zie https://duurzamepabo.nl/trilogische-recensie-duurzame-ontwikkeling-in-primair-onderwijs/.

*******

Door Boaz de Vries | Satter Hoveniersbedrijf

Twee nieuwbouwlocaties in Hilversum, één duidelijke opgave: buitenruimtes realiseren waarin groen de drager is, maar die ook functioneren onder hoge gebruiksdruk. Geen standaard invulling, maar doordachte keuzes in ontwerp, uitvoering en materiaalgebruik — afgestemd op spel, veiligheid, klimaat en beheer.

Hoe vertaal je die ambitie naar een buitenruimte die dagelijks wordt gebruikt en overeind blijft in de praktijk? De uitwerking van deze projecten laat zien wat daarvoor nodig is.

Twee nieuwe aanleg-projecten in Hilversum laten zien hoe buitenruimtes vanaf de basis worden ontwikkeld tot functionele, groene speelomgevingen die intensief gebruik aankunnen. Zowel bij de Paulusschool als bij Kinderopvang Bink stond één uitgangspunt centraal: een veilige, toekomstbestendige omgeving waarin kinderen worden uitgedaagd om te bewegen, te ontdekken en in contact te komen met natuur.

Bij de Paulusschool is, als onderdeel van de nieuwbouw, een compleet schoolplein gerealiseerd binnen een stedelijke context met hoge gebruiksdruk. Op basis van het ontwerp is de technische uitvoering integraal opgepakt, met werkzaamheden variërend van grondwerk en infra tot speeltoestellen, beplanting en een wadi voor wateropvang en spel. De gelijktijdige bouw van het schoolgebouw vroeg om strakke regie en continue afstemming. Het resultaat is een robuust plein waar spel, groen en klimaatadaptatie samenkomen en dat zichtbaar intensief wordt gebruikt.

Voor Kinderopvang Bink is een binnentuin ontwikkeld die aansluit op de specifieke eisen van jonge gebruikers. Hier lag de focus op veiligheid, overzicht en functionele indeling, gecombineerd met speelaanleidingen in een groene setting. Door bewuste materiaal- en plantkeuzes, zoals robinia, niet-giftige beplanting en onderhoudsvriendelijke structuren, blijft de kwaliteit ook op lange termijn geborgd.

In beide projecten staat de balans tussen ontwerp, uitvoering en beheer centraal. Geen overmatige complexiteit, maar doordachte keuzes die werken in de praktijk. Het eindresultaat: buitenruimtes die dagelijks worden gebruikt waarvoor ze bedoeld zijn — spel, ontwikkeling en beleving in een groene context.

Klik hier door om meer te lezen:

Website Satter Hoveniersbedrijf

Groene Schoolpleinen door Satter Hoveniersbedrijf

Tekst en foto’s Sigrun Lobst

Ik herinner me nog goed de eerste keren, dat ik op de trein stapte, om naar Beuningen te reizen. In Beuningen was toen die kleine fijne plek, waar Marianne van Lier en Willy Leufgen leefden en werkten: de OASE-tuin, -winkel, -bibliotheek, -kantoor – alles in één. Daar ontmoette ik vanaf ongeveer het jaar 2000 regelmatig een groepje mensen, bijeen geroepen door Willy en Marianne: allemaal mensen, die op verschillende (werk)plekken, in verschillende vakken en met verschillende methodes werkten aan ‘meer ruimte voor natuur en kinderen’. We wisselden informatie uit en ervaringen over hoe je natuurrijke tuinen, parken en landschappen toegankelijk kunt maken voor kinderspel en speelse, natuurlijke leerprocessen. We bezochten gezamenlijk de eerste groene schoolpleinen en speelplekken in Nederland en het Europese buitenland, met name Duitsland en België. Het waren toen vooral inspirerende (biologie)leerkrachten, schooldirecteuren en speelse biologen en tuinlieden, die de kunst van het maken en onderhoud van natuurrijke speel- en leerlandschappen beoefenden en van wie wij die kunst wilden afkijken. Dit proces gaat nu al 25 jaar door. Zaterdag 21 november gaan we dat tijdens de OASE-Netwerkdag 2026 met een écht Springzaadprogramma vieren. Lees elders in deze Nieuwsbrief meer over deze dag.

Sinds 25 jaar groeit Springzaad gestaag door. Onder veranderende omstandigheden in een veranderende wereld om ons heen, met steeds meer en andere mensen en ondertussen al een nieuwe generatie: de kinderen van toen, de eerste generatie Springzaadkinderen. Onder andere mijn eigen kinderen, die mij toen regelmatig naar vergaderingen en excursies begeleidden. Online vergaderen was er toen nog niet. Elke bijeenkomst was een reisje. Mijn kinderen reisden vaak mee. Op 21 november gaat mijn oudste dochter Zara onze dagvoorzitter zijn. We hopen, dat deze generatie het stokje op hun eigen wijze geleidelijk van ons overneemt.

Begin juni gingen we met een groep van dertig ambtenaren en beleidsmedewerkers van twaalf grote en kleinere Nederlandse gemeenten en organisaties en twee Vlaamse collega’s op excursie naar Berlijn. Voor de vierde keer. Onze gastgevers zijn ondertussen goede bekende: Grün macht Schule een Berlijnse organisatie, die scholen adviseert en ondersteunt bij het vergroenen van hun pleinen. We hebben deze reis samen met collega’s van IVN Nederland georganiseerd, vormgegeven en begeleid. Het was een groot succes, alweer een paar zaadjes in vruchtbare aarde gesprongen.

Toen we de meest inspirerende groene speel- & leerplekken in Nederland in een eerste speelnatuurkaart verzamelden, kenden we ze nog allemaal persoonlijk. Nu weten we niet eens meer hoeveel het er ondertussen zijn en horen we vaak via via van nieuwe projecten en collega’s. De zaadjes springen alle kanten op!

In november van dit jaar gaan we dus het 25 jarig bestaan van Springzaad vieren tijdens een dag onder de paraplu van het OASEnetwerk. Samen met de andere aangesloten organisaties dragen we deze dag op aan het jubileum:  ‘Waar natuur speelt’ is het motto.

Het programma groeit nog steeds, maar de eerste sprekers zijn bekend: we kunnen luisteren naar Mary Jackson van Learning through landscapes Engeland en Reinhard Witt uit Duitsland, de Nederlandse Bosbeweging stelt zich voor en  oude bekenden als de Speeldernis uit Rotterdam vertellen over hun werk. Maar we willen ook samen spelen die dag, samen vieren en samen genieten van wat er in de afgelopen 25 jaar allemaal uit die vele zaadjes is gegroeid. Ook jullie zijn van harte uitgenodigd, om die dag met ons te vieren! 

Voor mij weer eens zo’n dag om vrolijk van te worden en daarna weer met frisse ‘Schwung’ door te gaan, want alles, wat voor mij Springzaad en het OASEnetwerk kenmerken, komt daar bij elkaar: 

SAMEN, UIT DIVERSE PERSPEKTIEVEN DE DINGEN ZIEN en MET ELKAAR UITWISSELEN, het liefst op een ongedwongen, familiaire en speelse wijze. Ik hoop je daar te ontmoeten!

Groene schoolpleinen in Berlijn

Tekst en foto’s met dank aan Cedric Rijckaert, overgenomen van: www.klimaatspeelplaats.be

Springzaad Nederland en IVN NL organiseerden een excursie langs Berlijnse schoolpleinen. Met een groep van hoofdzakelijk Nederlandse overheidsmedewerkers en enkele landschapsontwerpers bezochten we een uiteenlopend gamma aan groene schoolpleinen, kinderdagverblijven en landschapsparken. Berlijn is op zich al een bijzonder groene stad met talloze grote bomen die het straatbeeld een stevig groen uitzicht geven. Zo valt het dus ook op dat de groene schoolpleinen die je er ziet vaak al een groene boomkruin als start hebben. Ook rondom de pleinen is het groen al sterk aanwezig. Dit helpt natuurlijk om de look & feel een stevige boost te geven. 

Daarnaast is er Grün Macht Schule (GMS). Deze Berlijnse organisatie is al vele jaren actief in het ondersteunen van scholen die hun plein natuurrijk willen inrichten. Door ontwerp, participatie en educatieve begeleiding slaagt GMS erin om hun doelen te bereiken. Scholen zijn dankbaar voor deze heel gerichte ondersteuning.

Het is opvallend dat de pleinen die we bezochten een grote schaal hebben. Vaak gaat het over grote oppervlaktes waar de scholen ingeplant staan en die sowieso al weinig verhard zijn. De zanderige bosgrond die je in Berlijn aantreft, helpt ook al om de natuur snel te boosten. De onverharde, natuurrijke zones worden vaak creatief afgeboord waardoor dit ook al deel gaat uitmaken van het speellandschap. Er wordt vaak gewerkt met robinia speeltoestellen die een open spelcultuur aanmoedigen. Op elk terrein dat we bezochten was er ook ruimte voor regelspel. Zo zie je sportkooien met meerdere functies. Kinderen die willen voetballen of basketten kunnen daar terecht terwijl er in andere hoekjes en kantjes fantasiespel en creatief spel aangemoedigd wordt.

GMS stimuleert de opvang en infiltratie van hemelwater. Speelwadi’s en regenbuizen die afgekoppeld worden zie je regelmatig weerkeren. Het hergebruik van hemelwater voor sanitair gebruik is er wel nog niet 100% ingeburgerd. Dit vergt een grote kost en GMS beschikt niet over de budgetten om dit te ondersteunen. Met kleine budgetten en kleine stapjes wordt dus op heel lange termijn gewerkt. Projecten die uitgespreid worden over 10 jaar zijn er geen uitzondering. 

We bezochten ook de Maria-Leo Grundschule. Deze school won de Duitse scholenprijs 2025. Het gebouw is gloednieuw en ook de werking was knap om te zien. De link met de buitenruimte was er echter niet en zo merk je toch weer dat architecten van schoolgebouwen er nog niet in slagen om de natuur binnen te trekken. Knappe werking, maar de speelplaats was ondermaats…

Wat ik er vooral uithaal zijn de kleine dingen. Kleine tafereeltjes die een schoolplein subtiel pimpen zoals creatieve afboordingen, toffe insectenhotels, heel natuurlijke speelelementen, … Daarnaast is het ook duidelijk dat je bomen het beste gisteren plant. 

Tekst en foto’s Cedric Rijckaert